www.bitsandbees.nl

Informatie of opmerkingen? stuur een bericht naar bitsandbees@planet.nl

 

Deze pagina geeft een gedeelte weer over de geschiedenis van Hoogeveen m.b.t. de bijenteelt uit het boek van de heer L.Huizing, dr. J. Wattel e.a.

Uit: Hoogeveen, oorsprong en ontwikkeling 1625-1813.

Aan auteur en/of uitgever is geen toestemming gevraagd om dit weer te geven.
Indien hieromtrent bezwaar is zal op eerste aanwijzing van belanghebbenden deze pagina worden verwijderd.
Inleiding

De ontwikkeling van Hoogeveen stond lange tijd in nauw verband met de turfgraverij. Het steken van turf is in twee opzichten een nuttige bezigheid: enerzijds produceert men turf voor de energievoorziening, anderzijds maakt men dalgrond vrij, die gebruikt kan worden als cultuurgrond. In het zo gevormde cultuurlandschap kunnen nederzettingen ontstaan en zo'n nederzetting is Hoogeveen. In 1625 was er alleen nog maar 6200 hectare woest en onbegaanbaar hoogveen, waarin een paar grote meren lagen'; omstreeks 1813 was al meer dan de helft van dit hoogveen afgegraven. Op het afgegraven deel lag een bloeiende veenkolonie met ongeveer 4500 inwoners. Dit betekende, dat Hoogeveen de grootste plaats van Drenthe was geworden, waar in de Franse Tijd tien procent van alle Drenten woonden. De nieuwe nederzetting was Meppel in bevolkingsomvang voorbijgestreefd; Coevorden had het al eerder achter zich gelaten. Assen was nog maar een onbeduidende vlek, ook al had koning Lodewijk Napoleon het in 1809 tot stad verheven. De cijfers bewijzen het:

Hoogeveen  4500 inwoners
Meppel  3798 inwoners
Coevorden  1669 inwoners
Assen  621 inwoners
geheel Drenthe 41154 inwoners

De voorspoedige ontwikkeling van Hoogeveen was vooral te danken aan het feit, dat het vanaf haar ontstaan door een vaarwater met de buitenwereld was verbonden. De ligging aan een vaarwater was vroeger voor een nederzetting een voorrecht, waarvan het belang moeilijk kan worden overschat3. Het wegtransport was in de periode v˘˘r 1813 van beperkte betekenis. De meeste Drentse dorpen lagen aan zandwegen, die een groot deel van het jaar moeilijk begaanbaar waren4. In deze dorpen was de verbouw van rogge het belangrijkste middel van bestaan5. Maar Hoogeveen stond door een gekanaliseerd stroompje met Meppel in verbinding6. Vanuit de Hoogeveensche Vaart konden pramen via het Meppelerdiep naar Zwartsluis varen. Vanaf Zwartsluis voeren grotere pramen over de Zuiderzee naar Amsterdam7, waar Hoogeveen een afzetmarkt voor haar producten vond. De waterweg tussen Hoogeveen en Meppel was speciaal aangelegd voor de afvoer van turf, maar kon ook gebruikt worden voor het vervoer van agrarische producten, zoals honing en boter. Door de aansluiting op het net van waterwegen verschilde het karakter van de Hoogeveense samenleving sterk van dat van de rest van Drenthe. Hoe heeft de ontwikkeling van Hoogeveen zich in de periode 1625-1813 voltrokken? Men kan zich daarvan een beeld vormen, wanneer de bestaanswijze van de verschillende beroepsgroepen bij het onderzoek wordt betrokken. Het eigen karakter van Hoogeveen blijkt uit de beroepstructuur. In andere hoofdstukken van dit boek staan de turfgraverij en de turfschipperij centraal In deze bijdrage wordt aandacht geschonken aan de agrarische activiteiten van de Hoogeveners. Ook in dit hoofdstuk treden, naast de boeren, de veenarbeiders en de turfschippers weer voor het voetlicht. Maar nu valt de nadruk op het agrarische deel van hun bestaanswijze. Bij de veenarbeiders is dat de verbouw van boekweit op het nog te verturven veen. Ook turfschippers, kooplui, winkeliers, ambachtslui en andere groepen hadden een aandeel in de agrarische productie. Daarom kunnen we ons niet beperken tot de bestudering van de betrekkelijk kleine groep boeren. Geen enkele beroepsgroep moet bij voorbaat uitgesloten worden. Met behulp van bronnen, die veel bevolkingsgegevens bevatten, kan de ontwikkeling van de verschillende beroepsgroepen tussen 1764 en 1813 worden gereconstrueerd. De bronnen uit de periode 1625-1764 vermelden daarentegen heel wat minder cijfers. Het zijn meestal processtukken omtrent belastinggeschillen. Daaruit komt het belang van de verbouw van boekweit op het veen en van de bijenhouderij duidelijk naar voren. Deze werden uitgeoefend op het veen, voordat de boeren en burgers van Hoogeveen zich op de dalgrond vestigden ten einde zich bezig te houden met landbouw en nijverheid. Om deze volgorde aan te houden zullen we beginnen met de verbouw van boekweit op het veen en de bijenhouderij. Daarna kunnen we ons bezighouden met de agrarische en ambachtelijke bedrijfsvormen, waarmee de Hoogeveners op het afgegraven gedeelte naar welvaart streefden.

Boekweit en bijen

Verbouw van boekweit op het veen

Er zijn twee soorten boekweit: veenboekweit en zandboekweit. In 1838 besloeg in Hoogeveen de zandboekweit een oppervlakte van slechts vier hectare, de veenboekweit niet minder dan 246 hectare. In 1811 en 1812 was de totale oppervlakte boekweit 206 hectare. Een onderverdeling werd voor deze jaren niet gegeven, maar waarschijnlijk werd ook toen bijna uitsluitend veenboekweit verbouwd. Dat ligt voor de hand, want voor de verbouw van zandboekweit heeft men zand- of dalgrond nodig. Naarmate in de loop van de tijd meer veen werd weg gegraven, nam de oppervlakte dalgrond toe. Bovendien is voor de verbouw van zandboekweit een kleine hoeveelheid natuurlijke mest nodig. In Hoogeveen moest mest dikwijls van elders aangevoerd worden, want op de schrale dalgronden was er altijd gebrek aan. Daardoor was mest duur en werden de dalgronden doorgaans niet ontgonnen. In Hoogeveen lag v˘˘r 1850 de nadruk op het afgraven van veen, en niet op het klaarmaken van cultuurgrond. Geld, verdiend met de productie van turf, werd gebruikt voor het aan snee brengen van volgende stukken veen. Voor ontginning van dalgrond was minder belangstelling. De veenbazen hadden veel belang bij de verbouw van boekweit op het veen, want het was een onmisbaar onderdeel van het verveningsproces. Veen kan op twee manieren worden geŰxploiteerd: door de verbouw van veenboekweit en door productie van turf. Het ging de veenbazen eigenlijk alleen om de turf. De bovenste laag van het veen was echter niet of nauwelijks geschikt om tot turf te worden verwerkt. Hoe dieper men graaft in het veen, hoe beter de turf wordt. De bovenlaag moest daarom eerst verwijderd worden, voordat men met de eigenlijke turfgraverij kon beginnen. Dit moest op een zo goedkoop mogelijke manier geschieden, anders zouden de kosten teveel op de winsten van de turfgraverij drukken. Door de verbouw van boekweit op het veen sloeg men echter twee vliegen in ŕen klap. Het bovenste laagje onnut veen ging eenvoudig in rook en as op bij het veenbranden, dat aan de verbouw van veenboekweit voorafging. Op lange termijn was het afbranden nadelig voor de ontwikkeling van de landbouw, want het kon niet meer gebruikt worden bij het in het cultuur brengen van de dalgrond. Maar het ging de veenbazen in Hoogeveen er voornamelijk om dat het te verturven veen werd blootgelegd. Voor de veenarbeiders was de werkgelegenheid, die de boekweitteelt opleverde, een belangrijk middel om de kosten van levensonderhoud te drukken. Zolang "de lepel nog in de brijpot" met boekweitpap stond, hadden zij minder reden ontevreden te zijn. Dat de lonen in de turfgraverij niet hoger waren, was daardoor wat makkelijker te dragen. Nadat er een zestal jaren boekweit was verbouwd, was de bovenlaag opgebrand. Dan lag het veen gereed om tot turf vergraven te worden. Het was echter ook mogelijk het "uitgeboekweite" veen een lange periode braak te laten liggen, waarna het opnieuw voor de boekweitteelt kon worden gebruikt. De verbouw van boekweit door de veenarbeiders bracht de veenbazen nog een meer direct voordeel op: omdat zij hun veen voor de boekweitverbouw beschikbaar stelden, hadden zij dikwijls recht op een derde of een vierde deel van de opbrengst.

Teeltmethode van veenboekweit

De veencompagnieen getroostten zich veel moeite liefhebbers te vinden voor het verbouwen van boekweit op hun venen. In de notulen van de vergadering van de Compagnie van 5000 Morgen op 6 oktober 1636 kan men lezen hoe een stuk veen in de buurt van Albers Holtien aan de meiers werd uitgegeven. Tweederde van dit veengebied was al voor de boekweitteelt klaargemaakt. Voor het overige deel, dat reeds begreppeld was, moesten de meiers zelf zorgen. Zij konden de compagnie daarvoor geen kosten in rekening brengen. Evenmin kregen zij een vergoeding voor het inzaaien. Het eerste jaar zou de gehele opbrengst aan de meiers ten goede komen, het tweede jaar zouden zij 25% van de opbrengst aan de Hollandse compagnie moeten afstaan, en in de jaren daarna een derde deel. Door op regelmatige afstanden ondiepe greppels te graven werd het te beboekweiten veen aan de oppervlakte drooggelegd. De greppels verdeelden het veen in smalle, regelmatige rechthoeken. Deze percelen werden, om ze droog en brandbaar te maken, eerst oppervlakkig met de hak bewerkt. Daarna volgde het veenbranden. Altijd dreigde er teveel veen in de as te worden gelegd, vooral wanneer er een harde, droge wind waaide. Het vuur kon dan gemakkelijk overslaan op de begroeiing van veen, dat nog niet aan de beurt was. Ook veen, dat al aan snee was, vormde voedsel voor het vuur. Omdat er brandbare objecten genoeg waren (turfbulten, veenketen, enzovoort), kon grote schade worden aangericht. Om dat te voorkomen moesten een paar regels in acht worden genomen. Een veenakker moest zo in brand gestoken worden, dat het vuur, om de hele akker af te branden, tegen de wind in moest worstelen. Bovendien mocht de bodem van de greppels, die de veenakkers begrensden, nooit geheel droog zijn. Dit alles vormde echter geen absoluut veilige garantie tegen de risico's. In 1693 bijvoorbeeld kon dokter Petrus Calkoen het vuur niet onder controle houden. Daardoor werden de turftbulten van Jan en Willem Andries de Vriese door de vlammen verteerd. De schade bedroeg niet minder dan 4000 Caroliguldens. Dergelijke ongelukken werden dikwijls veroorzaakt door het onverwacht draaien van de wind. Dat er toch betrekkelijk weinig grote rampen hebben plaats gehad, is waarschijnlijk te danken aan het feit, dat er in Hoogeveen altijd veel aandacht is besteed aan de voorkoming van brand..

Een kwetsbaar gewas

Jaarlijks werd er ongeveer 200 hectare veen afgebrand voor de boekweitteelt In goede jaren kon van zo'n oppervlakte wel 2800 hectoliter boekweit worden geoogst. De Hoogeveners hadden ieder jaar 1200 hectoliter nodig voor het bereiden van pap en pannekoeken voor eigen gebruik. Met het overschot werd een groot aantal varkens vetgemest. Dit was natuurlijk van groot belang voor de veenarbeiders, die bijvoorbeeld in 1807 ongeveer 40% van de werkende bevolking van Hoogeveen uitmaakten. Lang niet altijd werd een opbrengst van 14 hectoliter per hectare gehaald. In slechte jaren kon het voorkomen dat de boekweitteelt bijna niets opleverde, zoals in 1812. In het voorjaar regende het onophoudelijk. De bovenlaag van het veen werd daardoor niet voldoende droog, het veenbranden mislukte gedeeltelijk. In het begin van september stond de boekweit er nog redelijk bij, want het weer was in augustus vrij goed geweest. Maar in de loop van september traden enige nachtvorsten op die de boekweit geheel vernielden. De opbrengst beperkte zich tot 1 ,07 hectoliter per hectare. Dientengevolge kwam Hoogeveen in 1812 ongeveer 900 hectoliter boekweit te kort, dat niet van elders kon worden aangevuld. Ook in de wijde omgeving was de boekweitoogst mislukt. Daarom werden er in 1812 minder varkens vetgemest dan gewoonlijk. De veenarbeiders trachtten zich met brood en aardappels in leven te houden. Maar de aardappeloogst bleef dat jaar ook flink onder de maat: 45 in plaats van 150 hectoliter per hectare. En het brood was door de voedselschaarste extra duur. Op de invloed van de mislukking van de boekweit zullen wij later terugkomen.

Bijen houderij

De bijenhouderij was vroeger een belangrijke tak van bedrijvigheid in Hoogeveen. Voor de boekweitteelt was de bijenhouderij onmisbaar. De boekweit kon immers geen opbrengst leveren, wanneer er geen bijen waren om dit gewas in de bloeitijd te bestuiven. Zo is het te begrijpen dat Hoogeveen als centrum van boekweitcultuur ook een belangrijke plaats voor de bijenhouderij is geweest. De bijen kunnen echter bij boekweit alleen niet leven. Dit gewas staat maar enkele weken per jaar in bloei. De heide bloeit alleen in augustus en september. De bijen hadden ook planten nodig, die in het voorjaar bloeien, zoals klaver en koolzaad. Maar in 1811 werd in Hoogeveen maar twee hectare koolzaad verbouwd, wat voor de bijenhouderij lang niet genoeg was. Blijkbaar werd ook niet voldoende klaver verbouwd, want de iemkers uit Hoogeveen brachten in het voorjaar hun bijen naar de vette klaverweiden in Fries1and. Dit gebeurde met paarden en wagens, waarschijnlijk ook wel met vaartuigen. Er is zelfs sprake van dat bijen over de Zuiderzee naar Holland werden gebracht om daar de klaverweiden te bestuiven. De iemkers waren wel gedwongen in het voorjaar met hun bijen naar Friesland te trekken, anders zouden hun bijen, die de winter overleefd hadden, in het voorjaar van de honger omkomen. Op de klaver werden de bijen weer krachtig en er vormden zich door zwermen nieuwe volken. De bijen verzamelden op de boekweit en op de heide de meeste en beste honing. Daarom brachten de iemkers hun bijen naar Drenthe, zodra de heide en de boekweit hier gingen bloeien. De iemkers waren dus eigenlijk rondtrekkende nomaden, al zullen velen het er thans moeilijk mee hebben bijen als vee te beschouwen.

Uitheemse iemkers

In augustus en september bevonden alle bijen van de iemkers uit Hoogeveen zich op de boekweitakkers en heidevelden in de naaste omgeving. Er was voor deze bijen voedsel in overvloed. 

Naam iemker

aantal zwermen 

Topjaar

Hendrik Bosman 50 1764
Klaas Botter 44 1760
Hendrik Jans Bos 42 1761
Albert van Laer 38 1769
Jan Thomas Smit 37 1761
Geert Baker 36 1767
Jans Adams 35 1761
Berent Jans 34 1764
Albert Peggeman 30 1761
Klaas Backer 30 1762
Reijnder Woeringe 30 1765
Wolter Jans 29 1760
Wapen Hoogeveen Hoogeveen en bijen         Digitale stad bijen informatie

Deze informatie wordt u aangeboden door www.bitsandbees.nl